193 LITERAIRE WANDELINGEN.
apodictische decreteeren van: geen woord te veel of te weinig, is oneerlijke suggestie, malligheid, meer niet, maar ook niet minder.
Over Huysmans schrijft Erens ook rare dingen: ״Zuiver artiest is Huysmans niet. Daarvoor is zijn stijl te droog, zijn kleur te mat, maar onder de verdroogde asschen van zijn woordenvlakten voelt men den onder aar dschen gloed zijner hevige ziel, den rijkdom van zijn ruim hart, kan zelfs luisteren naar de branding van een wilden waterval".
En dezen bombast moet ge slikken als blijvende waarheden, "gegoten in den vorm van tamelijk zuivere formules".... Zijn deze óók "geknutselde tuintjes" (naar Erens beweert van Moreas' verzen), vergeleken bij de "eikenbosschen" van Hugo? Er mag in Hugo's werk "veel dor hout van rhetoriek staan", naar Erens alweer schitterend-nieuw opmerkt, hij kon toch altijd tien houthavens voorzien van afval.
Ik begrijp maar niet van een zoo fijngevoelig man als Erens dat hij zich tevreden kan stellen met zulke critische banaliteiten, zulke geheel doode uitdrukkingen. Al wat niet, in de kunst, geheel persoonlijk gezegd wordt is anorganisch, afgestorven. Wat is nu: ״Het werk van Valette, is de vrucht van rijp talent" ? Is er nu niets persoonlij kers, innigers, zuiverders over een mooi boek te zeggen? Een schrijver als Erens moet zanglijster zijn, geen notarisklerkje, tuinfluiter, geen bieder op kastpapierstijl. Hij zelf mist in dit werk volkomen de rust waarvan hij op pag. 139 spreekt; de rust, zoo noodzakelijk voor een scheppend schrijver, welke Goethe getracht heeft te bereiken, schoon nooit gevonden.
Toch heb ik het beste voor het laatst bewaard. Ondanks groote slordigheid in taal en stijl, ondanks veel leelijks en onzuivers blijkt Erens niettemin een zeer jijn kunstenaar en buitengewoon gevoelig voor allerlei
11
13