197 LITERAIRE WANDELINGEN.
volzinnen! Maar dat is afschuwelijke goedkoope en in-vulgaire rhetoriek. Dat is bijna onleesbaar en van een ergerlijke onoorspronkelijkheid.
Een enkele maal mogen zulk soort vergelij kingen niet al te mal aandoen, vaak gebruikt, worden zij van een onuitstaanbare cliché-vaalheid. Het omhangen van zielen met mantels kan bovendien liefelijk worden doorgevoerd. Waarom niet in denzelfden beeldspraak-trant: Erens prikkelt ons met de varkens-harige stijfheid van zijn volzinnen, kwetst daarmee de eksteroogen van ons schoonheidsgevoel. Als hij de poppenkast van onzen geest wil bevolken met de bonte gedrochtjes van zijn beeldspraakvermogen, dan moet hij de Jan-Klaassen van zijn aandoeningen en de lieve Trijn van zijn sensatie niet 41 te zichtbaar ondersteunen met de hand van zijn verstand. Want terwijl ik den pink zijner oplettendheid zie glippen naar den duim zijner uitingsmachteloosheid en den arm zijner verbeelding zie zwellen onder den verhoogden druk zijner geestelijke inspanning, valt de meergenoemde Jan Klaassen plomp neer op het scherpmes der critische meedoogenloosheid.
Een parodie zult ge zeggen, maar geoorloofd, want geheel in de lijn der koordsentimenten, der ik-heid-balanceerstokken, der Baudelaire-stroomen, der roeibootjes en maagdelijke oevers-beeldspraak.
Zonderling is ook de wijze waarop zóó iets geconstateerd wordt.
״Het werk van Valette is de vrucht van een rijp talent. Er staat geen woord te veel in, en elk woord is er; dat woord staat er, wat het doet: meer niet, en niets minder".
Wie zal ooit kunnen zeggen of er in absoluten zin geen woord te veel of te weinig in een kunstwerk is? Balzac zou misschien zeggen: veel te weinig coloriet; Zola: veel te veel grammatiek;Stendhal: veelte weinig psychologie;Maupassant: veelte weinig tragiek. Dat