194 LITERAIRE WANDELINGEN.
nog maagdelijke boorden te gaan bezichtigen."
Bij Shakespeare! hoe diep mislukte geestigheid, hoe onuitstaanbaar van vulgair schijn-vernuft. In dit literatuur-gebakje moogt ge een hond laten happen, hij zal er dra de voosheid van proeven. Telkens stuit ge in dit werk op allerergerlijkste beeldspraak-malligheid en op een conventioneele rhetoriek, des te bonter van dwaasheid nu zij staat naast zeer verfijnde en ook zeer gedistingeerde levensgevoelens. Maar niet slechts in de taal, den uitingsvorm geeft Erens zéér gebrekkige stijlproeven, ook in zijn beweringen dikwijls is iets bots, logs en paradoxaals dat prikkelt en ergert. Hij spreekt zich herhaaldelijk tegen en verwart zich in een zonderling literair jargon zoodra er sprake blijkt van sensatie en emotie. Zijn critische waardebepaling van zekere producten mag, als ieders meening, ten slotte subjectief zijn, hij spreekt soms zoo zeer uit de hoogte en zóó apodictisch dat ge u telkens weer verbaast over zijn eigen stuitende slordigheden en groote tekortkomingen als stylist en gedachten-formuleerder. Als hij op pag, 83 op zoo stélligen toon het heeft over Zola's fouten: langdradigheid zonder oorzaak, gemis aan gelijkmatig rhythme, innerlijken boekbouw, nalatigheid in de keuze van het juiste woord, slordigheid van stijl enz. — dat „enz." bij Erens
is goud waard! — dan vraagt ge u af: maar man____
gij־ pygmé tegenover dezen schepper, hoe vaak ver-nalatigt gij niet de keus van het juiste woord, hoe vaak is uw stijl niet slordig, slecht, ongelukkig en zeer onzuiver.
En als hij in ditzelfde boek meent dat men critiek moet uitoefenen met weinig woorden, dan vraagt men alweer: en hoeveel honderden zinnen, duizenden woorden gebruikt ge zelf niet te veel. Wilt gij er de bewijzen van ? Ik zal ze u op iedere pagina regel voor regel aanstrepen. En welke malle "capricieuse kronkelingen" maken zijn eigen phrasen niet? Erens