184 LANDLOOPËRIJ.
heid en frischheid reserveeren voor zijn vak. Hij moet zwerver wezen, en tegelijk zijn aandacht concentreeren op zijn zwerver- zijn! Hij moet iets ondergaan en tegelijkertijd hetgeen hij ondergaat waarnemen en analyseeren! Dat is vreeselijk en de kunst klein-folterend. En toch, wat verbazende resultaten nu reeds. Zijn virtuoos vermogen! Op die wijze vak-journalistiek te doordringen met teederheid van leven, met zooveel menschelijke en echte ontroering, zoo taalkleurig en klankschoon en plastisch zuiver te blijven in de snelle vlucht van het journalistieke woord, het is prachtig en wonderbaarlijk. Hij boeit door allerlei eigenschappen. Dan door zijn stoere en levens-zuivere typeering, dan weer door zijn monologischen dialoog, zoo raak van tóónvastheid, dan weer door zijn impressionistische beschrijvingen, zijn eigen breede visie en zijn geestige, picturale oorspronkelijkheid.
Telkens staat men gebluft over zijn doordringend, valkachtig-scherp zien, op afstanden en vlakbij. Zijn ziel dekt zijn geest dadelijk. Zijn groot waarneem-ta-lent is zóó heerlijk ontwikkeld, dat hij bijna de latere bezinking kan missen. Hij ziet toestand, personen, dingen, omgeving in èl soort lichtspelerijen en tintwerkingen, in atmospherische harmonie. Hij is gebrand op verindividualiseering van het woord. Hij geeft zijn zinnen éigen geluid, gang, beweging en deining. En soms zegt hij zoo fijn, — schilderende dingen als Maeterlinck, zinnetjes zoo geheimzinnig van klanksuggestie en beeld-suggestie. Een voorbeeldje. Hij overnacht in een vreeslijk slaaphol van bedelaars en ellen-digen. Hij dommelt, angstig en vol van warrelende droombenauwingen in en schrikt dan weer wakker. — Schrijft dan:
".. .'k Was nog wel dommelig maar toch heel goed bewust .... Ddir, dat hoorde ik toch helder: daar kraaide een haan. En de kippen vielen met vlerkengeschuifel van stok. Een verdere haan gaf het antwoord en nog verder,