187 LANDLOOPËRIJ.
bedacht, dat al dat vieze volk van beneden hier langzaam zou komen liggen, dicht naast elkaar: de blinde man ook, met zijn schrikkelijk starende oogen, en mijn ziekelijke buurman, die zich zoo ellendig op z'n bloote lijf had zitten krabben onder z'n jasje, en 't marmot-tige oudje, en die griezelig aanminnige vrouw met 't bloedroode jak en haar rose kousen, en de drukdron-kige hedjes-man, en de burgemeesterszoon, die wel tering zou hebben, misschien mèt z'n hondje Julietje, en dat mannetje met z'n natte kleeren, dat zich de koorts had geloopen.... toen ik bedacht dat dat heele muf-stinkende, vervuilde, kwalige zootje hier een ganschen nacht in die stikdonkere, stinkende spleet, dicht om mij heen zijn bedorven slaapadem zou komen vunzen, toen had ik van angst wel om hulp willen schreeuwen".
Nu nog iets over dezen journalist-literator, met het wonderbaarlijkste geheugen dat ik ooit heb zien werken, met zijn zeldzaam fijn taalgehoor, met zijn sterken, raken, dadelijk-aanslaanden observatiestijl en zijn inslurping letterlijk van ieder detail van het geziene. Als ge dit boek leest, dan treft ge op elke pagina een groep regels, waarvan ge met uw tastenden en keurenden geest niet af kunt blijven. Wat een vaste, kernige, sterke en eerlijke kijker blijkt Brusse toch, wat een rijken, innigen geest en wat een breede, gezonde en toch overfijne gevoelige ziel heeft hij.
Soms zegt hij de dingen zoo schoon als de grootste taalkunstenaar en zijn levende uiting is innerlijk zoo echt en van een prachtige rthyhmische bezonnenheid. Natuurlijk zijn er ook gebreken in dit werk; het nu en dan veel te schetsmatige, het vluchtige, voorbijgaande. Men voelt dikwijls, dat hij van dezelfde stof voor zijn krantenschets, iets nog veel mooiers, veel diepers zou hebben kunnen geven, als hij alles had laten bezinken, de materie niet ingericht voor een groot dagbladle-zend pubhek. Soms ontbreekt doorlichte en door-