XANDW)OPERIJ. i8r
gebeuren ? Maar dan ineens wou 'k 't Toon zeggen. Da'k niet meer mee deed, dat 't gemeen was, om als dilettanten in de vaalste misère te trekken, alsof dat, godbetere 't, een soort voorstelling was. En dan verbeeldde ik me, hoe die arme bliksems zich toch moeten voelen, die na 'n eindeloos getob niet meer kunnen, en zich willoos over gaan geven. En die dan, net zooals wij, voor 't laatst op 'n kamertje zitten met nog 'n zindelijk bed. Als ze niets meer op de 'wereld hebben om zich aan vast te houden. En in hun moegewoelde, energielooze hersens maalt deze ééne gedachte: als we morgen wakker worden, moeten we hier wég, voor altijd; dan zullen we gaan loopen, den weg op, naar
buiten____Waarom en waarheen toch? — dat weten
ze niet. Maar wezenloos loopen, op zoek naar wat eten.... En waar ze dan 's nachts zullen slapen, dat weten ze niet. 't Is alles leeg voor ze uit; 'n straatweg, eindelooze straatweg; daar moeten ze langs, omdat 't leven hun verhongerde lijven nog altijd maar voortdrijft____
Zoo____denk je dat? Zou 't zoo wezen?____Wat
weet jij anders veel van de verborgen hoeken van 't leven ?
En dan beet ik me handen stijf op mekaar. Dan zou
'k ook____dan wou 'k 't an m'n eigen body ervaren!..
Van alles afstand doen voor 'n poos, heel ernstig en streng, en dan ons laten drijven, zooals zij, die wel moesten"____
En als hij in een ellendige slaapstee den nacht moet doorbrengen schrijft hij een zóó zuiver stuk zielswerk, een uitzeggen van angst-gewaarwording, als weinigen. Ziet hier:
„Toen kroop ie weer naar 't vlieringluik, en zakte weg. Toon begon zich, zonder een woord van verbazing, maar vast uit te kleeden, dat 'k lachen moest om 't zielige figuur dat ik daar in m'n eentje stond te maken. Want ik was opeens zoo bang als 'n kind, en toen 'k