176 HET ROSSE LEVEN EN STERVEN VAN DE ZEE ENZ.
dwaze gevoelsduikelingen laat waken. Rhythme is er en klank, geluid, breed en zwaar, en rhythme, vast en golvend van gang. Zijn losheid wordt nooit pronkerige zwierigheid en de altijd klare doorstraling van zijn geestelijke kracht, maakt zinsdeel voor zinsdeel en visie voor visie belangrijk door plastische rijkheid en wisseling van metaphoor.
Wat Brusse mist, dat is de drang om al deze gegevens, deze bont-waargenomen wereld van dingen en typen tot een groot-saamgegroepeerden arbeid bijeen te brengen. Ik bedoel dit: Nu is hij vóór alles schetser, bestudeerder van allerlei leven; dddrin wel psycholoog en menigmaal ontbreken in den verhaalgang zelfs de zuiverst-dramatische accenten. Hij doorziet de levens-tragiek om menschen en dingen in hun somberste, verschrikkelijkste verwikkelingen. Hij bekoestert hun lot dikwijls met de innigste gedachte, hij spreekt van hun ellende of sjofele vreugde. Er is altijd tee-dere genegenheid of fluisterend meelij in zijn woord. Hoe zou Brusse, vraag ik mij vaak af, nu worden, wanneer hij al deze menschen, in bepaalde verhouding, als dramaticus en romanschrijver, geheel objectief van uit hun eigen wezen schouwend en doorschouwd, ons te verbeelden had?
Zou hij het hoogere groepeeringsvermogen bezitten, noodig voor de epische structuur van een geheel? Zou hij al deze, nu met eigen beschouwingen doormengde en geheel subjectief doorleefde en geschetste werkelijkheid óók tot een romankunstige realiteit kunnen maken, waarmee zijn talent eischen worden gesteld die hem tot doorgevoerd componeeren van karakters, verwikkeling, expositie, oplossing en dramatiseering dwingen? Zijn diepwortelend gevoel verlangt een werk-synthese, die tevens een stijl-saam-vatting zal wezen. Er zijn nu al groote elementen in zijn werk: het levensboeyende, de rake, beknopte