ZANDSTRAAT EN HET NACHTLICHT VAN DE ZEE. I7I
en rhythme-val door hén uitgesproken, geboekt zien op rekening van zijn eigen vernuft. Zoo laat hij de knipjes-meiden uit de Zandstraat spreken, zoo den politieman door wien hij in de krotten van ontucht en misère wordt rondgeleid. En weer vestigt hij er schuw de aandacht op en zou hij ons wel willen toeroepen: ״Ik speur wel, maar lever reportage, denker
om!____dat zeggen zij zoo,----en dit weer zoo....
en ddar heb je mij____,zie je, dat zijn numijn gedachten
en gevoel over die jammerlijke wezens." Het is allicht zijn nederigheid die hem geen besef geeft, geen volledig althans, van zijn eigen scheppend vermogen, en hem daarom soms de dingen doet zeggen en bijéénbinden als de reporter. Maar mij zal deze nederige werkwijze niet op een doolpad brengen.
Want Brusse is aan zijn pink meer scheppend werker, dan vele, géén reportage gevende, maar zuiver "romankunst" brengende "psychologen en zede-teekenaars," die met minachting op de reportage neerzien.
Brusse mag soms den indruk wekken, alsof hij zijn menschengesprekken heeft opgeschreven, of letterlijk onthouden, en niet doormengde met, uit eigen gevoel voor dialoog, geïndividualiseerde karakter-psycho-logie; hij vermag niet minder ons te doen gevoelen hoe prachtig hij tot geheel persoonlijk herscheppen van het gehoorde en geziene in staat is.. Dit bewijst hij ons allereerst met zijn taalvermogen, zijn zeer verdienstelijke techniek, zijn uiterst muzikaal-gevoelig, smijdig en lenig, vast en kernig en massief proza. Want massief werd het en toch ook zeer elastisch, lenig en zijn woorden plooiend naar den dwang zijns kunstenaars-wils.
In Brusse's werk leeft rustelooze rust, saamgeschikte losheid van woord en toch organisch-fijne gebondenheid van vorm. Zijn volzin-beweging is van den sterk-ontroerden impressionist, die toch zijn geest voor