ZANDSTRAAT EN HET NACHTLICHT VAN DE ZEE. I7I
kleine hut. En zoodra je je weer overeind hebt'gewerkt, en trantelend een stap hebt gezet, sla je weer tegen een anderen wand aan. Tot je eindelijk een stoel middenin gepoot hebt en je daarop maar zit te schommelen, telkens je armen wijd uit geslagen om je af te zetten van de wanden die vóór je schuin naar boven gaan en nog weer schuiner neerdalen opzij." g
„Onder de kooi is een schuif — heeft de kapitein gezegd — en daar vindt u je waschgerei op. En eindelijk verman je, je snakt naar frischheid van water. Zoodra 't hutje achteruit komt te zweven, maak je den wervel los, en meteen, met een schok, valt de schuif naar buiten: een koperen waschkommetje, een koperen kannetje, een bakje met zeep. Maar regelmatig gaat nu 't hutje weer voorover hellen, en als je 't kannetje wil grijpen, smakt alles weer weg onder je hut. Dan laat je 't noodlot maar weer over je bazen, zit willoos te schommelen, je handen voor je oogen gedrukt, in je grienerige draaierigheid. Eindelijk dringt er een haakje door in je besef. En manmoedig haal je de schuif weer naar buiten, houdt 'm stijf vast bij 't gewip, maar nu zak je zóó lang weg achterover, dat je stoel wegglijdt, je met je hoofd tegen 't schot bonkt, in de overtuiging, dat 't schip nu wel voorgoed gekanteld zal wezen. En dat er dan nu maar een eind aan komt ook, aanvaardt je gelaten. Maar nee, je rijst weer langzaam, langzaam, en zakt weer naar voren, lager, al lager. Je stoel schuift weer met je terug, en eindelijk kom je tegen je kooi aan te liggen. Moet je je allemaal weerloos aan laten leunen. Tot 't je gelukt met de haak de schuif te verschalken, die nu vaststaat eruit. En weer neem je 't kannetje, je houdt 't om te schenken boven 't •kommetje, maar gehoorzaam zakt 't in 't hutje met je zelf naar achteren weg, en er komt geen druppel uitgeloopen. En opeens, met een heftigen ruk, plenst 't half leeg over je beenen en de schuif en 't vloertje. Zoo zit je je dan al maar schommelend lekker-frisschies te wasschen, in 't laagje water op den bodem van 't petiterige kommetje, waarvan er nog elk oogenblik een plensje over den rand heenspoelt".
En lees eens op pag. 23—24, hoe zéér geestig hij zijn overstap van het wiebelende sloepje naar den hoogen rooden scheepswand beschrijft, met een heerlijk-koddige zelf-ironie in de waarneming. En hoe uitmuntend hij den wacht met zijn fataliteits-gephilo-sopheer onder het heen- en weerloopen op de brug, typeert.
Bij Brusse is er alvast één eigenschap van buitengewone bekoring:____zijn heldere plastiek, zijn gave.