177 HET ROSSE LEVEN EN STERVEN VAN DE ZEE ENZ.
ten van een landmensch wegzinkt en weer opduikt ? Ivees:
״Tegen vier uur 's nachts kon ik me eindelijk niet goed meer staande houden, zoo stijf vast met me verkleumde handen tegen de sloep aan, en toen heb ik me wezenloos maar laten gooien en smijten door 't stampende schip, tot ik de hut achteruit ingezwaaid was. Van uit-kleeden was geen sprake, omdat je geen moment op je voeten kon blijven staan op dat kleine vloertje, dat te keer ging als 'n stoomzeef. Ik greep me dus meteen maar vast aan de plank van me kooi, hoog boven me hoofd, trok me op, sloeg er weer af door ' slingering, waarbij de hut op zijn wand lag, maar 't volgende oogenblik werd ik er gemakkelijk ingekwakt. En — als 't u interesseert — haast gelijktijdig viel ik in de kooi en in slaap.
Als je dan den volgenden ochtend vroeg wakker wordt, schiet 't door je hersens: donkere nacht voorbij, weer dag en licht: de Twent komt me straks halen en brengt me aan wal! Maar meteen voel je je weer wiegen en schommelen in je kooi, zoo dat jenu eens met je voeten, dan weer met je kop ver naar beneden zakt en telkens omrolt, je hoofd bonsend tegen den wand, en dadelijk daarop sla je het bedsteegat haast uit. Goede goden, die weëe deining in je holle maag, dat zwevende in je lichte hersens; nóg weer een dag op die helsche wip in zee! Want onversaagd hoor je den wind razen over dek, en de golven beuken als mokers buiten tegen de scheepshuid waar je kooi aan ligt. Vlak bij je ooren rammen de stukken water tegen de planken, die er van piepen en kraken tegen elkaar, en telkens weer rukt het schip aan den ketting, dat de boel er van omslaat boven en naast je, terwijl je opgesmeten wordt van je bed. En geen plekje om er aan te ontkomen! Voor je vermoeide oogen wiegen tergend regelmatig de kooi-gordijntjes, en je ulster, die er naast hangt, en in de kajuit zeulen de kolen weer rammelend door den bak.
Uit mijn kooi kan ik in de kajuit zien. Daar zit de kapitein tus-schen de tafel en den wand vast; zijn witte kop is rustig over den Bijbel gebogen. En de groenbleeke kok met zijn blauwe boezeroen en de bult van een pruim in zijn wang, is nog altijd maar weer huishoudelijk bezig. Hij maakt de kachel aan. Een zware petroleumwalm slaat over mijn arm hoofd, en je hoort de vlam razend snorren in de pot, want dat trekt als een lier met dien wind.
Als een koorddanser staat de kok op 't vloertje te zwiepen en te knikken, telkens met wijd uitgeslagen armen; hij valt om, omarmt 't potkacheltje en duwt zich zuchtend weer overeind."
En dit:
״Dat vreeselijke opstaan! Je laat'je,[ eindelijk dan maar zakken langs je kooi op 't vloertje, en meteen wordt je omver gegooid in de