ZANDSTRAAT EN HET NACHTLICHT VAN DE ZEE. I7I
Enfin, liet is er een doodsch, eentonig en toch lang niet ongevaarlijk leven.
Ik voor mij hoef er, na de beschrijving van Brusse, nooit meer heen.
Je ziet alles vóór je, je voelt en leeft alles mee, van de zee, de bemanning, de typen, de stormnachten, de verveling. Dat lijkt nu juist het zeer wonderbaarlijke vermogen van Brtisse, om de dingen te geven in hun werkelijkheids-ver houdingen, hun klaarste en kenbaarste realiteit, en er toch iets aan toe te voegen, dat geheel alleen van hem is. Zijn fantasie wordt niet van beangstigende onstuimigheid. En toch weet hij zeer mooi eenspheer, een angstdreiging omeengebeurenheen te brengen. Het is zijn eigen prachtig, alles nuanceerend menschelijkheids-gevoel dat dit observatie-werk zoo diep, zoo innig maakt. Zie nu weer zoo een boek als Het nachtlicht.
Het omvat alle eigenschappen van zijn schrijverswezen : leukheid, fijne scherts, gevoel voor volkshumor, kracht van waarnemen dat zich door de diepte van zijn geest tot een soort van hoog zien opwerkt; kracht van taal en lenigheid van rijk technisch woordgebruik. Alles is eerlijk, goud-eerlijk in dit werk. Voor zoo zuivere, effectlooze schrijf-eerlijkheid voelen wij stille ontroering. I^eg daarneven nu den voozen smuk van Couperus' taal als hij "fantaseert"; of het valsche woordkunstgedoe van zoovele andere, z.g. romantische, ideëele verfijnelingen of hoogzinnige verbeeldings-menschen, die de "werkelijkheid", zoogenaamd "vergeestelijken".
Wat armoedig van innerlijke bewogenheid is het naast de sappige rijkheid en woord-weelde van dezen allermenschelijksten mensch.
Ja, het is, voluit gezegd, een groot genot over zulk een boek te mogen schrijven als dit Nachtlicht.
!,aast ge ooit toonrijker en meesterlijker beschreven, hoe een stampend en slingerend schip onder de voe-