XI.
M. J. BRUSSE.-I. HET ROSSE LEVEN EN STERVEN VAN DE ZANDSTRAAT EN HET NACHTLICHT VAN DE ZEE. - II.
landlooperij.
I.
Met vreugde bespreek ik hier den derden druk van Brusse's: Het nachtlicht van de zee. En ik kan het uitvoeriger doen dan men gemeenlijk herdrukken pleegt aan te kondigen, wijl ik tot mijn wroeging, van het eerste verschijnen geen woord gerept heb.
Over Brusse's werk oordeel geven is voor den recensent een wezenlijk genot. Ik ken in onze gansche literaire journalistiek geen grooter talent, zuiverder voeler, inniger, dieper en klaarder zegger. Wat een smijdigheid van woord, wat een warmte, wat een trillenden klank brengt hij in zijn taal. En hoe ondubbelzinnig is zijn aanvoelen van de levensdingen, de menschen en hun velerlei karakterlijk of karakterloos gedoe.
Deze realist, ernstig, bonkig en veelkantig, laat soms den geur van heidekruid, zoet tusschen zijn somberste werk rooken. We snuiven de ruimte en we zien den verren hemel.
Lees nu eens rustig dit verhaal van zijn avontuur op een lichtschip, Maas geheeten, dat er ligt op s/« geographische mijl, noord-west ten weste van den Hoek, op 12 vaam water. Het ligt voor een ketting van vierhonderd meter lang en een pols dik. Het ligt er om de schepen te waarschuwen.