DE ONGEWETEN DINGEN. i6i
der werkwoorden gebruikt hij wel eens verkeerd, het hinderlijk toepassen van ״c'est" en „ce que" vermoeit, maar hij haat ook wat Flaubert als een eersten eisch stelde, klank-schoonheid, woord-cadans, bewegelijke fijnheid in de wendingen der expressie en tegelijk statige kracht en evenredigheid. Hij verafschuwt de fraaie zinswending en daarom las hij iederen dag, vóór hij aan zijn Chartreuse de Parme verder schreef,... paragraphen uit het Burgerlijk Wetboek. Hij minacht het mode-Fransch van George Sand en in een bijna belachelijk makende ironie, verklaart hij, dat het nu groote ernst is geworden met zijn woordzoek-geduld. Want soms zit hij al — ik zie het medelijdend schokschouderen van Flaubert hiertusschen, die zijn hersens afmartelde voor de juiste expressie en die even gretig Frankrijk cadeau gaf voor hét woord, als Richard de Derde, Engeland voor één paard, — want soms zit Stendhal wel een kwartier te broeien, of hij een zeker adjectief vóór of achter een ónzeker
substantief zal plaatsen. Stendhal wilde slechts____
duidelijk zijn en niets anders. Kunnen wij het ons voorstellen: Top Naeff, de schrijfster van het prachtige Voor de Poort, in weelderigheid van woord en taal ademende, het Burgerlijk Wetboek doorlezend om vóór alles.... duidelijk te blijven? Naast Top Naeff, Margo Scharten-Antink, die verrukkelijk neven de forsche, de teedere lijn weet te plaatsen en van alle tegenwoordige schrijfsters misschien wel het zuiverste en reinste type der woordkunstenaressen is ? Dan Annie Salomons met haar vlij mende gevoeligheid, Carry van Bruggen met haar cerebrale, lenig-bewegelijke natuur en Anna van Gogh-Kaulbach met haar ernst, psychologische fijnheid en mijmerende zachtheid. Zij zouden allen verschillend te karakteriseeren zijn, en toch onderscheidt zich de uiting van Ina Boudier, op bizondere wijze. De zoete ingetogenheid van haar stijl valt dadelijk op. Expansief is zij, en toch voelt ge den dwang der