166 DB ONGEWETEN DINGEN.
pa visite ontvangt, terwijl in dedonkere alkoof zijn zoontjes Leo en Klaasje, ziek liggen. Guitig en prachtig is gegeven de manier waarop het al beterende Leo'tje wil meedoen met de roesige vreugde in de voorkamer, maar door de drinkende, rookende en babbelende ver-jaardag-vierders, totaal vergeten wordt. Ten slotte kruipt hij in het bedje van Klaasje, die nog veel zieker neerligt dan hij, om eindelijk verveeld en afgemat in te slapen tegen het koorts-gloeiende lichaampje van zijn broertje, dat met het verdorde mondje half open, naast hem ligt te hijgen. Hier is tusschen het tragische wél humor gegeven, onder anderen het rijke, luidruchtige scènetje met de trompet. Het begin van de schets ״Een leugen" is niet zoo sterk, doch het slot werd goed en boeiend. Als Mientje het naaistertje en Betty de domineesvrouw tegenover elkaar komen te staan, en de laatste met een hst en een leugen, het naaistertje een portret wil afhandig maken van een pas-gestorven man op wien zij beiden verliefd waren.
Welk een eigenaardig uitingsverschil bestaat er toch in het werk van onze vele begaafde tegenwoordige schrijfsters. Woordkunst en taalmacht lijken niet in de eerste plaats dé kracht van mevr. Boudier. Ik zet Augusta de Wit naast haar, met haar scherpe, vernuftige, soms doorwrochte volzinnen, vaak moeizaam van gang en zwaar van klank. Toch muzikaal en even overzweefd van een oriëntaal licht. Haar werk is vol gerijpte levenswijsheid en ademt rustig zijn innerlijke ervarenissen uit. Neven haar, mevr. Top Naeff, met haar hang naar cierlijke zinswendingen, haar verliefdheid op den fijnen geur der dingen en op den klank der zingende woorden. Als ik Top Naeff lees, denk ik wel eens aan de moedwillige nuchterheid, waarmee Stendhal spreekt en die hij in een brief aan Balzac, in verband met diens aanmerkingen op Stendhal's stijl en grammatica, bondig karakteriseert. Inderdaad, erkent Beyle, zijn zinsbouw is niet onberispelijk, de tijden