DE ONGEWETEN DINGEN. i6i
afkeer in. haar tegen Emma en heur stomme, innerlijk-wrokkende ellende; een afkeer ook tegen het achterlijke kind. Even voelbaar, eene meebloeiende genegenheid voor de figuren Greet en Jopie. En toch aarzelt men te beslissen wie de bewogenheid van Ina Boudier meer heeft opgewekt, de levensvurige, vroolijke, doch later weggezonden Greet — van wie inmiddels mijnheer De Vole zooveel is gaan houden dat hij haar nauw missen kan, — of de zwakke, hatende, wanhopige Emma en het misdeelde Lietje, wier verstandje schui-levink speelt. Omdat de ziel der schrijfster zoo klaar door het leven van alle anderen heenschijnt. Zij is open en ontvankelijk voor de meest tegengestelde ontroeringen, dé eigenschap van den wezenlijken dramaticus. Naar oogenschijn zoudt gij zeggen: als haar eigen ziel zóó klaar door het leven der anderen heenlicht, dan is er toch geen aarzelen in de beslissing mogeüjk? Maar dan verstaat men den zin mijner woorden verkeerd. Er wordt hier bedoeld, dat zij het vermogen heeft, haar ziele-innerlijk aan al haar menschen te geven, zelfs aan die waar zij, door natuur en door eigen aard, een afkeer van heeft. Deze eigenschap juist wijst op een prachtig objectivatie-vermogen, bij vrouwelijke kunstenaars een zeldzaam bezit. Er is een fijne aristocratie in haar aandoeningen, en overal in het werk dezer schrijfster, iets fiers en onafhankelijks, dat soms schuil gaat onder een wrang accent van half-bedwon-gen ironie. Taine schrijft in zijn experimenteerende zielsstudie over Balzac: vraag wiens geest en wiens bloed, heeft sterker alle koortsgloeiïngen van het leven gevoeld dan de Balzac? Daarom is zijn stijl ook gewrongen en hevig overladen; zijn denkbeelden hoopen zich op en verdringen elkaar weer. En toch blijft hij de realiteits-ziener. Hier onthult zich de eigenschap waarop ik doelde en die Taine in zijn subtiele studie, ook ״onderkent" zou mevr. Boudier schrijven, in Balzac. Ook zij ziet de werkelijkheid gewóón. En toch,