DE ONGEWETEN DINGEN. i6i
arrangé le monde!" Welke bevende hand kan een waereld van zotten scheren? Hoe jammerde Flaubert's stem, reeds een halve eeuw vóór de onze.
's Avonds zegt hij in eenzelfden brief: „... .j'arrive a écrire quelques lignes qui me semblent détestables le lendemain".
Zoo zucht Flaubert in een smartelijke moedeloosheid naar Madame Roger des Genettes, in 1860. Bespeurt men in zijn werken uit dezen tijd nu iets van zulk een droeve neerslachtigheid? Een dergelijke vraag kan men ook later stellen en misschien oplossen, bij het tegenwoordige werk van Ina Boudier. Het is mij nimmer zoo sterk opgevallen als nu, hoe schreiend en schrijnend-tragisch de kern van al haar verhalen wordt. Zij zijn uiterlijk- en innerlijk-tragisch door gebeuren en door ontleding van zielstoestanden en door een bijmengende verfijning in de psychologie, waarmee wij een bijna zinnelijke verteedering ondergaan. Daar is al dadelijk de prachtige schets ״Hagar". Er leeft in mevr. Boudier iets zeer zeldzaams. Haar eigene ziel schijnt schitterend en klaar door het leven van allerlei andere menschen heen. In ״Hagar" — de naani der schets werd reeds zinnebeeldig — beeldt zij eene moeder met haar kind, die door de jaloersche vrouw, bij wie zij de huishouding doet, wordt weggestuurd. In de geheele schets worden vijf personen naar voren gebracht: mijnheer De Vole, mevrouw De Vole, I/ietje, het eenige achterlijke kind van het echtpaar en verder de Hagartype, Greet, met haar kind, Jopie. Greet is een jonge weduwe, die door het plotselinge sterven van haar jongen man, achter blijvend op een klein pensioentje, de wijde waereld wordt ingejaagd. En toen nu een eenigs-zins bejaard heer en zijn met sterke vrouw met een achterüjk kind, zochten naar een beschaafde hulp voor allerlei huishoudelijke beslommeringen, Greet bij hen een onderdak kon vinden, terwijl het bleek dat het meebrengen van haar kind Jopie geen beletsel werd