158 LOF DER WIJSHEID.
dat lieflijk om den voet der telgen spon,
wier teere jeugd daar stil aan 't groeien was,
in hoop van schooner vruchten laat gewas.
En lammren, rank en blank als in een droom,
speelden rondom met blijden huppelpas
of lagen vredig samen in een toom
aan 't rasterwerk gevleid in schaduw van een boom.
In 't beeld zag ik mij-zelf, of was die streeling
van 't zachte kleed over den harden grond
niet als die vreê, waarin mijn ziel haar heeling
mijn wrange hart zijn rijpe zachtheid vond?
En 't boomvolk, dat zoo klein en trouw daar stond
te groeien al de dagen en de nachten,
gaf 't mijn vertrouwen, mijn geduld niet kond,
en het gespeel dier lammren de gedachten
wier rijpe wol eens kleedt veel komende geslachten?
En was die zon, wier glans het al verklaarde,
niet als uw licht, mijn leidster die ik zong,
niet als uw warmte, die mijn duistere aarde
van groeikracht en verlangen diep doordrong,
die al mijn bl&ren uit de knoppen wrong,
mijn bloemen uit de zachte windslen lokte,
en vrucht soms al aan teere takken hong,
dat van verbaasde vreugd mij de adem stokte,
mij schreiend waar de sneeuw der blanke bloesems vlokte ?
In het slotgedicht zijn groote onvolkomenheden en juist daarom schrijf ik ook dit af, om u te laten zien, hoe zeer in één uitingssoort de virtuositeit dadelijk van de werkelijke gevoels-schoonheid te onderkennen is:
Die zon schijnt altijd niet, maar altijd door
groeit in mij 't leven, dat haar stralen wekten
dringen alom de rijken drangen voor
die eenmaal naar haar verre beeld zich rekten
Al waar 't, dat dampen soms haar aanschijn dekten,
zij leeft in lichtende herinnering,
wier luister al mijn aardsche daden strekten
tot prijs en dankende verheerlijking,
wier gloed ik drink; wier lof ik altijd zwaarder zing'!
De lyrische brokken in dezen bundel hebben de meeste verdiensten.