157 LOF DER WIJSHEID.
aanhef toch dadelijk een dichterlijk en zuiver gestemd gemoed erkennen.
Lang niet overal in dit leerdicht leeft schoonheid; dikwijls komt cerebrale overpeinzing de ziel verdringen, merken we niets dan nuchtere verstandelijkheid, zonder levensdiepte en bezinning. Maar zelfs daar, waar het lyrische sentiment weggehouden en alles min of meer bespiegelende philosophie is, blijft toch een dichterlijk gemoed te herkennen. Hieronder nog enkele voorbeelden, uit zang IV:
״De lust is van geen enkle handeling het voorgestelde doel, maar zoo 't bedrijf een drang voldeed, in 's levens richting ging, komt zij naar voor ten teeken van 't gerijf aan 't eeuwig wezen, dat een aardsch verblijf koos in uw lichaam voor een kleinen tijd, maar immerdoor weer naar de ruimte drijft: lust om-haar-zelf is geen vertrouwd beleid, het wit is niet geluk, maar uw volkomenheid.
Last is geen kwaad, zij is een eindlijk goed,
Zij waarschuwt fel voor sluipende gevaren,
Zij is de hamer, die het vast gemoed
in pijnen vormt en smeedt of 't ijzer ware,
Zij is 't geweldig weeënrijke baren,
altijd hernieuwd, van 't leven in zijn groei:
gelukkig hart, dat rustig mag ontwaren
een vreê-beginsel in elk stormgeloei
en kent zijn smart als grond en bode van zijn bloei.
Onthoud dus wel, dat alle last en lust niet om zich zeiven uw erkenning vragen, en daar zij storen uw gewijde rust, zult gij ze temmen door ze sterk te dragen. Door nooit te zwieren op hun wilde vlagen naar allen kant, maar 't zware tegenwicht der eigen kracht te bieden aan hun slagen, staat gij als rots in golven opgericht en ziet heel 't leven aan met koel en klaar gezicht.
Ook dit is gevoelig:
Ik zag een jongen boomgaard in de zon, licht-geelgroen was het fijn-fiuweelen gras,