154 VERZAMELDE GEDICHTEN■.
van scheppingen en in wonderlijke mengeling, realiteit en fantasie dooréén werpt; Shakespeare, die toch altijd en in alles, gehéél ménschelijk, algeméén-menschelijk blijft. Zie hoe ver deze dichtkunst ook afstaat van den fantasmagorischen visioenen-gloed en hevige bewogenheid der Shelley'sche poëzie. En toch heeft ook de dichtkunst van Van Ameide een klare en zuivere geestelijke kern, die aan een zeer menschelijk levens-be-wustzijn ontspringt. Ze is in haar denkende en bespiegelende fijnheid verwant aan de sereniteit van Spinoza's stille en zoet-bezadigde verruktheid. Niet het emotieve, niet de dramatische botsingen van levens-begeeren en noodlot, lokken hem het meest, méér, hoé het mysterieuze van worden en vergaan tot een klaar spel van innerlijk mijmeren te herleiden.
Ook in deze koelere aanschouwing en geestelijke indringing in der dingen mysterie, kan een staat van vervoering bereikt worden, die, zoo niet dadelijk herkenbaar door een zinnelijk-schoone woord-muzikali-teit, voor den fijneren speurder toch leeft in den al-omvoelbaren adem die het geheel der strophen door-ruischt. Wie zal het Spinoza euvel duiden, dat hij een zeer hoog levens-gevoel en een serene levens-leer saamdrong in de schijnbaar kille stroefheid der mathematische stellingen ? Zoo zal men ook verkeerd doen, het dichtwerk van Van Ameide te veroordeelen, wijl de verstandelijkheid er té sterk in domineert. Eerst daartoe zou men het recht hebben, als die verstandelijkheid tot rhetorische, doode taal en beeldspraak leidt; als de verstandelijkheid haar eigen sereen wezen onderschept en met de lagere denk-vormen eener banale wijsheid, figuratief grijpt naar het verklaren eener ziels-innerlijkheid, waar zijzelve vér onder staat.
Zulk soort verzen zijn er inderdaad dan óók wel bij Van Ameide. Verzen,waarin eensoort gevoehgheidgeheel afgeslagen is van een soort verstandelijkheid en naast elkaar in de strophen zich willen uiten. Hierin b.v.: