153 VERZAMELDE GEDICHTEN■.
In gedicht VIII uit De Levensstrijd, laat hij de werking van den geest op het liefde-warme hart juist daarover spreken:
De Geest grijpt aan, wien hij kan grijpen: al wien hem biedt de ware spond', den bodem eêl, waar kunnen rijpen in liefdewarmte uit hartewond de vruchten van dat schoon verbond, dat hij met onze ziel kan sluiten, doet hij zijn sterk verlangen kond: wie zou dat stroomen willen stuiten?
Als klanken vlieten uit de pijpen op de' adem van des herders mond, zoo vloeit nieuw leven, bij het nijpen der diepe nooden, die hij zond, uit onze zielen te allen stond vol heerlijkheid en macht naar buiten, een schoone straling ver in 't rond: wie zou dat stroomen willen stuiten?
Maar zooals felle kolken slijpen de stranden van een nauwe sond, zooals de wreede vorsten knijpen in teedre knoppen, blank en blond, zoo klaagt aan 't ons vertrouwde pond, zoo doet verstarren harp en luiten het noodlot, dat als antwoord vond ״wie zou dat stroomen willen stuiten?"
De wereld is een koude grond en meenge kiem treft harde kluiten; gij vraagt niet meer, geslagen hond, wie zou dat stroomen willen stuiten.
Ook dit gedicht is kenschetsend voor de mentaleontroering, de geestelijke aandoenlijkheid van Van Ameide's diepste wezen. We mogen vrijelijk vaststellen dat deze soort van dichtkunst nimmer tot de mensch-scheppende tragiek en tot de wijd-epische dramatiek zal reiken. Zie hoe ver ze afstaat van de Shakespeare'-sche levensspheer. De dichter die in een duisteren brand.