156 VERZAMELDE GEDICHTEN■.
het zilvren spelen aan kan gaan: hoe zijt gij toch na loomste stilte mij plots weer vriend en onderdaan.
Hoe proef ik als een zeeïge zilte doordringend mijn benauwd bestek en door mijn lijf die weeïge kilte
die het uit looden starheid wekk': ik liep hier in den stadschen avond, — o stad als een te laag vertrek —
het nijvre volk rondom mij dravend; mijn hart vergat zijn eigen wijs en deinde mee als schip gehavend
en vond geen lust in fust noch reis; maar toen opeens de goede zoelte: het spitse huis was rood en grijs.
vereend in bleeke kuische koelte, daarboven was een spaarzaam groen, verflauwd en mat van middagzwoelte.... enz.
In een gedicht Maannacht, dat geheel den toover van het licht beschrijft, komen de slotcoupletten weer geheel tot dien ondertoon van geestelijk mijmeren terug.
Wij zijn, ach, zooveel wijzer, weten van maan en wind; ons hart is zooveel grijzer, zoo heelemaal geen kind; de nymfen zijn gevloden met woud- en watergoden, geen schemering bergt boden meer uit een andre weerld.
Maar 't oog dat groot kan schouwen, ziet strakker, sterker schoon dat wat zich kindren bouwen: op aarde een toover-woon. Ons was dit woud niet ledig; de wind, het maanlicht vredig maakte' ons zacht en zedig: wij meenden te verstaan.