150 VERZAMELDE GEDICHTEN■.
van een zinnelijke plastiek. Er zijn meer jonge dichters in ons land die de levens-vergeestelijking sterk hebben uitgesproken in hun kunst. Maar hun drang naar het geestelijke was nog altijd vermengd met een zuiver sensueele en visueele ontroering. Ten slotte zoekt ieder dichter zijn spheer, waardoor heen het innigst zijn Ik, zijn innerlijk wezen, naar buiten treedt. Boutens is de man der fijne verbeelding, die deze door een aristocratische hoogheid van individualistische lyriek heen-beweegt naar de koele en zachte contemplatie eener dichterlijke mystiek. Zoo geheel in tegenstelling met Gorter bijv. die episch van drang, naturalistisch van beschouwen en impressionistisch van taalprocédé, soms heftig en hevig zijn gemoed en ontroering in alle vormen en naar alle kanten laat uitgloeien. Van de Woestijne is de trotsch-classieke, die gestuwd door een ware verhevenheid in levensgevoel, de koortsige en bedwelmde ziel tegelijk verzadigt met romantische visioenen. In alle drie leeft een drang naar vergeestelijking. En toch lijkt deze geheel verschillend van de mentaliteit, zoo kenschetsend en apart voor den dichter-aard van Van Ameide.
Van Ameide is vooral de dénker in het gedicht; niet de geleerde didactische poëet, maar de innerlijk schouwende en naar wijsheid strevende; wijsheid, geheel uit eigen kennis der menschen en dingen opgebouwd. Neem een gedicht als Het Gezicht, en luister naar den ondertoon der contemplatie:
O wereld, waar wij zoo vaak verloren, wij, met ons peinzen zwaar en vreemd, in dwalen, of ons bloem noch koren
ontspruiten mag in dorre beemd, als nergens ons vertreurde zinnen den welbekenden toon verneemt,
die ons weer voert die wereld binnen, waar hart en wereld samenslaan, tot ergens ver van hoogste tinnen