uua.
konden slechts gelooven in haar zondeloosheid".
Zoo dénkt het wicht I41ia, nauwelijks gerijpte vrouw. Dat mag nu wel lijken van een felle, stekelige, brandende, opjagende en ophitsende welsprekendheid, afstraffend en striemend, maar het werd toch niet de psychologie, de ontroering meer van een meisjes-innerlijk. Het is de ervaring der gerijpte feministe-vrouw, overgegoten in de ziel van een argeloos schepsel, met al de gerijpte klanken van haat, verachting en spot, en al de detonaties der ironie en verbittering. Dat is Lilia niet, in wie het van liefde-wonde zacht kreunt en klaagt, in wie de koorts der hooge, jonkvrouwelijke trots gloeit; dat is Lilia, de tendens-mamzel, het gedachten-schema van de schrijfster, weer gemarteld en afgetobd onder de vrachten rhetoriek der tribuunspeecherij die zij af
te spreken krijgt. Heel deze exclamatie over zonde,____
zonde en zonde, is in zijn banale herhaling reeds in den eersten opzet dood van expressie. Heel de opbouw der zinnen, de galm van het woord, de groepeering der argumenten gelijkt letterlijk op zekere literatuur-soort, waarin ook telkens tendens het ontbrekende dramatische of psychologisch-zuivere gevoel moet aanvullen. Dat wordt de spottende straf van alle tendens, die niet tot lévend gevoel zich kan opwerken, — dat ze slechts één middel tot uiting heeft: den klank der vergrofde meening, den klank der vergrofde gedachten; dat ze het algemeen-bekende, aangenomene of bestredene saam-vat, maar het individueel gevoelde triestiglijk moet laten glippen, — tenzij al het gedachten-en geestes-gewoel is geworden een geheel innerlijk leven, zooals het Katholicisme in Vondel en het revolutionnaire vrijheidsbesef in Shelley.
Ik zal U de vertooning van allerlei schrikkelijke rhetoriek-staaltjes en droeve taai-machteloosheid sparen terwijl ik nadrukkelijk wil wijzen op het feit, dat Lilia, dwars tusschen oratorische opstootjes,
147