DE WANDELENDE JOOD. 127
kleur!) van zonvergulde witte druiven". Dat is al te polijsterig en te gemijterd van taal en plastisch effect. Tusschen de echtheid en frischheid der werkelijke fantasie-deelen doet dit aan, en veel meer van zulke vergelijkingen, als ergerlijke taalkunstige gezochthedens.
En ten slotte nog dit. Er is te veel Vlaamsch klapsel in dit boek. Bij Streuvels en Teirlinck o.a. zijn wij nu eenmaal voorbereid op al deze gewestelijke uitdrukkingen. Bij Vermeylen niet. Zijn critisch proza is zuiver Nederlandsch, geschreven zooals de 80ers het schrijven; d.w.z. niet taal als „voertuig" van gedachten, maar het woord als levende representante van gewaarwordingen. Vermeylen is de man van geleerdheid, van beschaving, van veel kennis. Ik wil daarmee niet beweren dat Streuvels' en Teirlinck's taal,provinciaalsche zieltjes hen doet zijn. Maar deze scheppende kunstenaars zijn één met hunlandenhuntijd. Hunwoordschiet geuren rond je heen, zoet als van pas-gemaaid gras.
Hier gold het echter een historische miüeu-schildering onder joodsch en heidensch volk. En het is, alsof wij in Vlaanderen ademen. Voor een werk uit Vlaamschen bodem gegroeid een heerlijke deugd, voor een arbeid, wél door Vlaamschen geest geschapen, maar niét op Vlaamschen grond geboren, wat zijn menschen, zijn milieu, atmospheer en tragiek betreft, een groot gebrek. Wél mocht Vermeylen, geheel als Vlaming dit kruisigingsdrama daar zien als ziener, maar niét mocht hij zoo overheerschend suggestief met zijn Vlaamsche idioom styleeren en laten spreken, schepselen geheel Oostersch van gang en woord, gebaren en levenskijk. Dat is het opheffen van een objectieve uit-beeldingswet, die zich dra wreekt op het inner lij kste van dit ziele-drama. We raken er soms gansch en al uit, zien niet meer Ahasverus en zijn volk, maar Ahasverus en een Vlaamsche menschengroep. Maar over het geheel, wat zuiver mensch en bizondere kerel die Vermeylen toch is 1