425
Hoe dikwijls luisterde ik niet in verrukking naar 't klokgelui van 'n Kerstnacht, ik goddelooze en godsdienstlooze.
De groote en innerlijkste droomwereld ligt luidloos in mij als 'n heel wijd stilte-landschap, naast de wereld van realiteit, zichtbaar voor ieder zinnenmensch. 't Zijn twee rijken in mij, maar bij iederen tocht door de realiteit volgt een tocht door mijn droomwereld. Zoo leeft mijn ziel altijd in gemeenschap mèt die twee rijken. En een brok uit de zinnewereld waart altijd eerst öp uit de droomwereld.
Zie Florence, nu kon ik weenen in m'n glorie.
Waarom ? Waarom ?
Wijl ik dat universeele in mij heb leven dat mij zoo veel doet lijden, zoo onmenschelijk veel, en dat mij in alles trekt.
Ik kan mijn aandoeningen niet begrenzen door zelf-egoïstisch genot.
Want naast al 't bouwende, leeft even sterk in mij 'n analysezucht voor alle dingen.
Toch weet en besef ik diep dat er dingen zijn, waarvoor elke analyse, de fijnst-vezelende en de diepst-indringende halt houdt. Eenmaal zonder analyse-drang over die grens van leven, bereik ik de Verbeeldingswereld, waarin ik de joodsche profeten hoorde, waarin ik nü nog den oer-brand van een zonsondergang in 't Paradijs voor me zie, waarin ik het gansche, abrupte en toch mystiek-epische scheppingsverhaal in groote tafreelen voel leven.
Is 't niet om te schateren de onbeholpen operatie op den slapenden Adam, 't ontfutselen van den rib uit 's mans vleesch ? .... 'n rib.... die de Heere bouwde tot eene vrouw !
Maar lieve, er is een verrukkelijke sprook in dit naieve scheppingsverhaal en de poezië er van glanst door alle tijden en door alle oer-verhalen.
Zie je 't niet voor je Florence, dat Eden-Hof met z'n oerboomen en prachtdieren, fabelachtig doorgloeid van licht en zonnegoud.