364
O ! er zit in haar ,,pauv' chien" 'n menschelijke teederheid die verstomt.
Tot 't dier weer in 'm opgetergd wordt door nood en woesten aandrift.
Maar zie nu eens, met innigste bezonnenheid en aandacht, hoe Steinlen dat in beeld brengt.
De weg, met heel fijn streepjes, eindeloos ver in den horizon verdoezelend. Wat eenzaam huisgeblok links in de verte. In 't midden van de kade alleen de twee, weèr minnende figuurtjes, 't Menschelijke geluk verinnigt in de ruischende stilte !
In hun gang 't teedre rhytmus van 't minnen, tusschen hun bijeengekoesterde hoofden de bedwelming der overgave ; in haar heupen de kadans van 'n heerlijke passie, en rondom 't kus-geklank, heel den immensen stilte-weg, ver, heèl ver.
De vrijage van 'n teruggekeerden boef in 't leven, met z'n meid, 'n vrijage in den versten hoek van een ontzaglijke sche-merstad.
O ! Florence, hoe heeft Steinlen de broze poezie en den heel-fijnen weemoed van zoo'n liefdespaartje, zoo'n korte verrukking van twee verworpelingen, meegevoeld.
't Duurt niet lang. 't Dier, woest en rauw gromt heel gauw öp in die menschen !
Maar een paar uren toch, leeft in die ellendigen 'n allerdiepste ontroering.
Steinlen beseft het! Hij staat er niet te lang bij stil. 't Lijkt zoo sentimenteel, onecht, en toch is 't zoo diep waar, zoo gewijd, die plotse verteedering onder geboeften.
't Is de éven nog opglanzende romantiek van hun verloren leven! Dadelijk daarop slingeren ze misschien wreed-speelsch, levende ratten naar hun liefjes. Of trappen ze hun vrijster tegen den buik als de nachtbuit slecht was !
Heel gauw Florence, laat hij de er op neerkijkende perverse cynici de hevige instinkten dier droeve levens zien. Want z'n Dans la Rue's wemelen van die vreeselijke moordtypen, typen die tasten moéten in bloed.