338
de gouden bekoring van z'n reine naïviteit overglansd.
Maar ik moest gauw naar bed, doodop van de kleine reis, de schokken en de emoties.
III.
De eerste dagen was mij de landstilte vreemd.
Maar langzamerhand doorsuisde mij 't stilte-geruisch, voelde ik weer de verrukking van het land-prachtige, immense, zooals ik die vóór m'n ziekte van d'akkers en de weiden altijd ondergaan had, over mij komen.
Ik lag aan 't raam, boven-vóór. Ik hoorde weer 't innige klompgeklos van wat voorbij hortende kinderkes, meisjesstemmetjes. Ik hoorde gerucht van karren, telkens overslopen door landstilte, heel lang.
Van ver, op d'akkers, zag ik werkers in rood en blauw gekiel. Ik hoorde, achter stekjes en rijzen, vogelengetjilp en menschengezang.
O! hoe ontroerde mij 't landgerucht, meer nog dan de stem van de stad.
Ik zag 't geflits en getril van zonnigheid op de bladren van heel jonge beuken ; ik zag teer groen en ik rook de heerlijke aarde. Ik zag luchten, breed en heel diep, ik snuffelde öp geuren van bloemen, gras en ploeg-grond. Ik zag wolkenbouwselen en schaduwwieken over d'akkers.
Ik proefde de lentedampen, den dauw, en ik voelde door me heen zaligen, 't groote gevoel van landstilte en innigheid. Mijn ooren suisden en ziedden van 't stille, mijn oogen vielen halfdicht. Al 't koortsige vloeide uit me, niets in me latend dan harmonie, rust van groot leven.
Die rust voelde ik al de eerste dagen in me opstaan, die rust en 't geluk, te zien en te zingen.
Nu was ik weer dicht bij m'n viool ook.
Het zou nog heel lang duren, eer ik me dat innig instrumentje kon geven. Maar 't zou nü komen, komen dat voelde ik wel.