220
Wat onzeggelijke smart moet in dien menschelijken klankengod, in die zingende ziel rondgedoold hebben toen hij bemerken ging dat hij z'n eigen klankziel-naar-buiten uitlevend in tonen, niet meer hooren kon ! Was z'n doofheid niet, 'n moordende kwelling, als van 'n moeder die haar éérste kind dood ter wereld baart ?
O ! een marteling, die ieder ander met zwarte duisternis den geest had omfloerst, als niet in hém, de heilige scheppingsdrang zoo hevig had geleefd, ook al hóórde hij niet meer, dat de klankenrythmus, melodie en orchestraal sentiment, met geheel vergeestelijkt geluid, in z'n ziel bleef doorjubelen of doorwee-nen, ook al was z'n zintuigelijk kontakt met de uitwendige werkelijkheid vernield.
De toonmysterie werkte veridieeld in hem dóór. Hij hóórde dadelijk met z'n ziel. Hij schiep den rhytmus met z'n allerinnigste geluidsvangster, z'n luisterende ziel....
Elke stem, elk tempo, elke samenzang van de instrumenten openbaarde zich éérst in de diepte van zijn binnenste klankleven. Z'n oor was lam. Z'n ziel zelf hoorde, rag en onverstoorbaar ! En als 't eerst in hém geweend had, en de stemmen waren verklonken door zijn ziel, dan drong 't naar buiten, gaf hij de wereld 't lévende geluid van zijn poeëm, zongen de stemmen der instrumenten uit, wat in zijn diepste inwendigheid alleen was geboren, in de goddelijke stilte van zijn verstomde ontroeringen ; kwam er een werkelijkheidsstroom van zang en toon-heerlijkheid in zijn arbeid, die hij niet kón hooren !
Vroeger lieve, had ik mij zoo dikwijls ingeleefd in zijn ellende, vooral de uren waarop hij z'n doofheid bemerkte, en hij Riez met stomme ontzetting van z'n geh oorver zwakking sprak ; toen het in hem pijnde en martelde óf hij soms zijn gehoor ging verliezen, — die toestand had ik zóó ingeleefd dat ik er maanden van onder den droefsten indruk bleef.
Ik zou hém zoo teederlijk getroost hebben, had ik altijd gedacht, als ik in zijn tijd leefde.
Nu lieve, nu troostte hij mij !