193
zwammen, en zij-zelve als vuur-starren rondsliert in den duisteren kosmos, dan nog zal de liefde er zijn, want die is Eeuwig en onvergankelijk.
Met mijn liefde voor jou, vrouw, sta ik in den tijdloozen lichtkrans van het verhevenste en eeuwige leven.
Is er zaliger verrukking dan die Liefde in maatschappij en natuur ?
Ik heb met m'n ziel en m'n zinnen doorreisd het sombere aardeleven. Ik heb de menschen zien groeien en weer vergroeien als misdadigers, wangedrochten, hebzuchtigen, mis-maakten. Ik heb het groote menschenleven hooren gieren, schreien, gigantisch bulderen. Ik heb in de steden zien moorden en in de dorpen zien brandstichten.
Ik heb 'n bloedzee voor me zien bruisen en koken van de oorlogs-gruwelen.
Ik heb de somberste misere meegeademd in zinnen- en verbeeldingsrealiteit. Ik heb de jammerende moeders in de krotten hooren weenen, om veel wat haar lief was, maar wat vertrapt lag in den duisteren hoek van d'r wanhoop. Ik heb strompelende stumpers in rottende sloppen zien verdwazen. Ik heb idioten zien staan in kronkelige steegjes, vóór verweerde krotten, omschemerd van ellendegrauw en verdoemde lichtlooze armoe-venstertjes. Ik heb oude wijven zien staar-oogen, doorwalmd van drank ; ik heb kreupelen in rotlompen gootwater zien slurpen met zwarte hongertong.
Ik heb mannesnikken van reuzen hooren vlijmen en verstikken in woeste onmachtsdrift. Ik heb reuzen hooren vloeken en zien stuiptrekken. Ik heb schuwe blinden zien tasten in angstnachten, als een storm van wild gerucht voor hun duistere oogen heenwoei in zwarte vlagen.
Maar achter het immense wereldwee zag ik opschemeren een menschengroep die zong, zong, in hoog-dragenden rhytmus, 'n heroieke wijs.
13