i8i
Kindeke, kindeke.... tusschen verbittering en smart heb ik de Liefde gevonden.
Ze bestaat, bestaat voor mij in jou, in 't groote worstelende Leven, in 't werk, de scheppende kunst. Want jij, Florence, jij bent toch geen vrouw, jij bent mijn minnares van de stille peinzende, droomende en zegenende ziel, èn minnares van de opsehuimende, aangloeiende ziel.... Jij bent m'n kunst, mijn diep-zalig, m'n aller-verrukking insluitende zielevrouwe. En je bent m'n liefde meteen ; mijn maagd en m'n moeder, m'n kind en mijn vrouw, mijn wondersprookje en m'n realiteit ! Jij bent 't zilverlicht en de duisternis ; de schaduw en de zonnebrand, jij bent 't vuur van mijn ziel, en de weemoed van mijn peinzen. Jij bent m'n zoete vrijster, mijn pijpster en minnekoozend blank kapelletje !
Want door jou lieve, lieve, allerliefste, heb ik 't geluk gevonden onder m'n medeschepselen.
Ze bestaat, ze bestaat mijn liefde voor jou, meisje, goud van haar en glanslicht van ziel.
Ik heb de Liefde door jou gevoeld, zooals ik besef de eeuwigheid onder 't staren naar den zee-einder.
Ik heb om Lohengrin geschaterd, en ik doe 't nog, maar heel anders nu.
Ik heb 't verdramatiseerde symbool in m'n eigenste en diepste wezen doorgrond en ömkoesterd met de wiegende melodieën van mijn hernieuwd geluk.
Ik heb de Liefde begrepen, ik heb 't gezien, niet meer als de bleek-schitterende illusie, 'n schim die verdwijnt als men haar nawijst met bevende hand, maar lévend.... lévend!
Ik heb haar gekust en zij heeft mij weeromgekust!
En ik heb begrepen, dieper en rustiger al de fatamorgana's en illusie-vormen van haar wezen ; al haar schijngestalten. Ik heb begrepen den woesten zinneroes, de van wellust door-krampte schepselen, de in schijn-idealiseerenden en poëtiseeren-den, en mijn verachting is vergroeid tot aanschouwend-meêlij.
Maar nu Florence, moet ik je ook alles zeggen van mijn