424
constateerde de dokter dat bij Neel alles ״verkeerd" zat. Ze moest in bed blijven, en rusten, niets dan rusten, Hoe zou dat mooglijk zijn,.... lei ze den dokter
uit,____ in zoo een woel-gezin met nering? Maar de
zoet-klinkende stem van den dokter verstroefde streng, toen hij zei, dat ze dan de gevolgen voor eigen rekening moest nemen. Ze voelde zich nu machteloos verzinken in het noodlottige van een onbegrepen levensdrang, als het bewustheids-moment even vóór een bezwijming. Ze wist zich gebroken, vernietigd en toch óp-gejaagd in gisting, door allerlei zenuwachtige angsten. Ze begroef zich onder zelf-verwij,ten; ze snakte naar een soort bedwelmende verdooving, waardoor ze het toekomstige niet meer behoefde te zien en toch doorleven kon, zonder dat zij er heugenis van kreeg. Ze was er gillend, gillend-benauwd voor. Niet voor haar zelf, maar voor haar kinderen____Als ze stierf, overgelaten aan Stijn! God-geklaagd! Maar ze moest rusten,____rusten, had de dokter bevolen.
Toen begonnen de angstige dagen in het donkere bedstee'tje, vóór de kraam, eerst goed. Ze lag ópge-kneld tusschen het lawaai van de straat, het winkelgeloop en wat er in huis gebeurde, in achterkamer en keuken, met kinderen en Lien. Ze leefde in haar koortsige ellende, waakzamer dan ooit. Waar was toch haar vroegere blijmoedigheid? Niets dan chagrijn, chagrijn en verdriet. Ze wou het alkoof-deurtje open, open, als altijd. Ieder schel-gebengel moest ze hooren, want nu vertrouwde ze Stijn niet meer, in zijn neerslachtige lusteloosheid____tot alles in staat.
Stijn bleef werkloos en heele dagen thuis; maar niet meer werd hij bezield met goede voornemen» en hulpvaardige toeschietelijkheid. Hij was baloorig, verdrietig, nu zijn Neel niet meer op de hielen stond. Want zonder haar was hij een nietsnutter, minder dan