419
naar Lien, in het keukentje, om een natte spons en een bakje water.
— Nie snuyfe.... nie snuyfe!.... wèt 'n mèlten-tige schaujer____
Hoentje trilde van angst.
— Sau'n èdder!.... nie snuyfe____ huylklep!____
Wie heittet gedoan? ....
Koentje kon niet praten van de snikkerij. Zijn heel bebloed en bevuild gezichtje dook weg in de spons. Lien trok hem het truitje uit terwijl Daantje instormde en opgewonden verklikte wie hem den smak gegeven had.
— Auw!.... die Rauje uyt de Gèng.... noas aupoe Burk?.. .. sau'n èdder! Nou, die fèlt in me gunst.... feur die stoat wèt in 't fèt.... Sau'n beltrot, 'n stuk f'rsterf.... is tie besjoege? Loatie 's aège 'n bloedneus meppe.... moar nie maan jonge!....
Neel ziedde van woede; maar de drift wond haar zoo op, dat haar heele lijf hamerde en trilde. Inmiddels joeg door haar hoofd de gedachte aan Stijns uitblijven. Die was anders al vóór donker thuis; nou ging de ratel van de Boldootkar en nóg was hij er niet! —
Plots schoot een wilde angst door haar heen. Als hij nu weer eens gedronken had? Ze beefde bij de veronderstelling. Nee, nee, zoo een onheil zou Onze lieve Heer van haar afwenden; dat zou te, té verschrikkelijk zijn. —
Koentjes bloedneusje was gestild. Hij snikte nog wat schokkerige huil-hikjes, terwijl hij zich vertroetelend opknussigde tegen het warme, zware lijf van zijn moeder. Daantje, uit het alkoofje, kwam met de kat aan-haar-staart, opzwalken.
— Sèl je 't loate!.... verbood Neel,.... pès op raufer, of ik stuur je noa schaul!
Het vreeselijkste dreigement voor Daan, die iederen
25*