417
vandaan moest halen. Toen ze, in de zevende maand, zich bij haar was gaan opgeven van de bus, en Neel den gulden niet bij zich had, was ze nauw te woord gestaan door het lieve mensch. Den volgenden morgen kwam ze den gulden brengen en toen bleek alles weer in orde. De vroedvrouw bekeek haar en zij vertelde....
— Jelui rekenen toch altoos verkeerd,.... had de vroedvrouw gezegd,.... zal wel half November worden, inplaats van eind October.
En het goede mensch had cajuweel ieder jaar gelijk. Moest ze zich nou weer zuur denken om het geld, n& de negen dagen? Had ze toch maar een stads-vroed-vrouw aangevraagd! Kon ze denken.! Ze had.... een winkel en een man die ״verdiende".... Iedere cent dien hij nu nog inbracht viel als water op een gloeiende plaat. De bus gaf haar drie gulden bij, als ze tenminste haar achterstallige briefjes voor dien tijd betaalde. O God, als ze weer terug zou vallen in de stinkende armoede en het gebrek lijden van Lindenstraat en Vuile
Weespad, zooals eenige jaren terug____ Bij Onzen
lieven Heer.... ze verzoop zich liever met al haar biggetjes gelijk! —
— Jènsie.... hoal es effe 'n braud!.... hier hei je twoalf sinte!____
Jansie knoopte zich haar oranje-wollen doek om den hals, grabbelde traag met peuterige vingertjes de centjes bijeen.
— Siempie en Doantje kê je effetief mit goar gein drie braude bei houwe!.... klaagde Neel naar Rooie Griet, die haar half onsje licht kwam meepikken. —
Rooie Griet bulderde wat terug, dat verbrokkelde in een aanzwellenden lach. Onder een paar dreunende vloeken over het voedsel-verslinden van jonge kinderen in de groei-jaren, was ze Neel te lijf gegaan,met grappig-liederlijke zinspelingen op het kroost-verwekken. Haar
De Jordaan 27
*