4i6
Neel schaterde in zichzelf om zoo een manke-pot-van-een-nnensch. —
Vanavond dwarrelden de gedachten al woest door Neels hoofd heen. Ze voelde dat ze niets voor het gezin was en niets voor de zaak. Zoo een klein winkeliertje als zij, wat moest ze beginnen, nou weer, met dien sigaren-concurrent? Ze had al meer en meer noodig. Dadelijk.... de kleine op komst.... Zou ze Tante Antje in de Wijde Gang van avond eens vragen hoe het zou afloopen? Ze had zoo een stervens-bang gevoel soms. Maar de schrik doorrilde haar bij de gedachte aan de starre oogen van de waarzegster uit de Wijde Gang. Als die het
eens vlak in haar wezen zei..... ״dèt hoal je nie
Neil!".... of.... ״je kind sèl niet oademe,".... nee, nee, nee, gilde het binnen in haar. Ze zou het besterven, compleet besterven. Géén oogen van Tante Antje vóór ze bevallen was. Het kelderhuisje vermijden. Niet gaan, niét gaan.... joeg ze zich zelf op. Die schillevrouw zou je den dood in bed rijden. O! ze rilde en rook nu al de modderlucht van Tante Antjes kleeren; ze zag nu al dien straffen mond met het schuim er op en dat gele, vuile gezicht. En die starende oogen als overtrokken van vliezen. Neel huiverde, voelde zich een brandende koorts ingeschroeid van angst. Het noodzweet brak haar aan alle kanten het gezicht uit. Haar heele lichaam voelde ze drijven in een heete vochtigheid. Oranjekers, Koekjes Na, Blonde Kee,
Lien, Mie Rijglaars, de vrouw van Schorre Gijs.....
ze hadden allemaal Tante Antje in stilte geraadpleegd. Maar Tante Antje had stram geantwoord: — Ik sèl niet sien.... loat de frau fèn de Mop
seifers komme____jullie seg ik niks____
Maar van al die nieuwsgierige goedigheid der buren en kennissen bleef Neel zelf onkundig. Zij tobde, tobde, waar ze nü weer het geld voor de vroedvrouw