412
poardebief is feur ons minse auk nie meir te bekomme! De oude Scheendert schoof langs het kozijn van Neels winkeltje. Neel sloeg de angst om het hart.
— Jeisus merie.... as tie nou moar gein ongelukke komp f'rtelle.....bromde ze in zichzelf.
Ze had alweer zoo akelig gedroomd, van twee gekruiste messen, waar het vuur uitketste toen ze ״uit hun zelf" tégen elkaar aanscherpten. En van een rood laken dat zwabberde over al de daken van de Willemstraat-huizen. De zon scheen er fel op en toch bleef de lap zoo zwart-rood als geronnen bloed.
— Alles seinefe,.... had de dokter van de bus gezeid. Maar als de ״opoe" haar nou akelig ging maken, zou ze het niet uithouden. —
— Sau'n immese ongeluksfaugel,.... seg foader .... hèi jei Staan gesien? .... vroeg Neel gejaagd, om zijn gevraag met een vóor-vraag af te weren. —
Met sukkelstapjes schoof hij vlak voor het stoepje, beschenen nu in het helle gaslicht. Hij had een uur geleden zijn kuiertje gedaan met klein Annetje van Nel, doodlangzaam, en de borrel-centjes bij zijn schoondochter verdiend. Hij scheen Neels vraag door het kinder-geschreeuw niet te begrijpen. Zijn doovigst linkeroor, met vuile watjes bepropt, stak hij, de hand als een vanghoorn er omheen gebogen, vooruit. —
— Wètseggie?.... wètseggie.... ikke haur niks-niemendèl!.... wètseggie?....
In zijn paarsig-bleek gezicht beefde de onderkaak ontzettend, in verzenuwing van alle trekken. Hij sprak soms alsof hij alle woorden tegelijk zijn mond wou uitdrijven, en ze zóó op een klus verstotterde, dat ze er bekneld en struikelend uittuimelden. De leege mond bleef opengezakt luisteren met het naar vóór gedrongen oor, terwijl de eene groote tand in de beef-kaak op en neer ging als een groene haak.