4io
dwong schreeuwerig Daantje, die niet de grootere jongens mee wou doen, terwijl hij met een kameraad van vier nog bezig was haasje-over te springen. Een man riep door de straat:
— Prime.... reus-se! nétte Borneau!.... a twei
sint!____ heide.... Naufember.... aupening fen 't
segoare!.... mèggesaan.... in de Willemstroat....
honderd fieretèchtig____ Iedere kauper____ fen tien
sint.... segoare.... kraègt ein haug-faène____
hefènnesegoar kedau toè!.... Aupening.... Naufember! .... Willemstroat.... honderd fier en tèchetug.
Zijn zware colporteurs-stem galmde bij de kazernehuizen óp en verklonk in de donkering der Palmdwars-, en Driehoekstraat. Neel verbeet zich. Had je ooit zoo iets beleefd? Reclame-schreeuwleelijk door de straten. Nee, daar kon je gods-onmogelijk tegen opwerken. O! die stinkende rotstraat, waar ze gewonnen en geboren was, hoe haatte ze de krotten en de kleine winkeltjes er nu in. Als je een dubbeltje meer had dan je buur, gunden ze je het licht niet in je oogen. Je moest je maar laten overbluffen. Zou ze zelf niet probeeren zetbazin te worden, met een vast toelaagje? Kón het zoo langer? Ze gapten haar het brood uit den mond. Maar waar bleven haar zes-, zevenhonderd gulden borgstelling, als ze een Ceres-dépo'tje in wou, of een margarine-zaakje? Wie zou dat voor haar storten? Dan stond ze tenminste zelf niet meer voor al die afmartelende zorgen en betalingen aan alderlei leveranciers. Zij kon ook, zoo goed als de anderen, vet met bedorven
bloed verkoopen; vet met olie..... emmers, sponsen
en schoorsteen-poppetjes toe. Als Stijn daar weer in de suiker afhad, mocht hij Zondags in den Jodenhoek, harde bokkings venten!.... Wat een ellende! —
— Tènte Neil?____riep buurvrouw éénhoog-vóor,....