NEGENDE HOOFDSTUK.
I.
Willem en Siempie waren, naast Jan Seifer, Kootje van Zwarte Aagie en twee jongens van den Noordpool aan het spelen met knikkers, in een kei-kuiltje, vlak voor Neels winkel-stoepje. Het begon te donkeren. In de Willemstraat krielde het van schreeuwend-spelende en gillende kinderen, tusschen het straatgeraas van bonkerende karren, geroep, geloop en avondvertier in. —
Naar de Lijnbaansgracht was de straat opgebroken. Lage petroleum-lantaarntjes beschemerden walmig in de verte de donkerende stads-veste en flakkerden een goudroodig schijnsel over de beregende keien, als een half gedoofde straat-illuminatie. —
Mientje, Jansie, Lientje van tante Nel en Tootje Kies, keken van het stoepje naar het levendig, woord-bejoelde schietspel der joggies, die elkaar na elk kuiltjes-schot heftiglijk beschreeuwden en bestreden. Willem hoestte zijn drift uit in zaagscheurende klanken. Neel kwam even ontsteld op haar winkel-drempel staan.
— Hei doar.... mènne fèn koe'kdeig!____schreeufe
jullie asseblief gein gèt in de dèg!____
— Ikke mot____ ê.... uppie____ ê.... uppie..