406
— Goed sau.... wie 't lènd wint, wint ons auk,____
spotte Neel, plots weer te onverschillig om zijn gulzigheid te temperen. —
Willem was hevig zagerig hoestend, met een groote sigaar ingeloopen. Neel kleurde vuurrood.
— Smaat weg, benjer!.... wou je j' aège heilegoar in 't grèf werreke?____
Willem, dadelijk gekrenkt, duwde als een echt belee-digd kind, zijn arm voor de oogen, ging in een hoek staan huilen en trampelen. In het heele kindertroepje lawaaide een woelige ontevredenheid los. De huilerige zenuwachtigheid van Neel, anders zoo kras en vast-van-woord-en-bevel, sloeg het roer uit de pennen. De jongens vooral, voelden het slingerend-gezaglooze van Neel. Daantje brak de wielen af van een goedkoop bazar-poppenwagentje van blond Pietje, wier verdriet niet te stelpen was. Neel suste, Stijn suste, Frans Leerlap, even ingestapt met Nel, suste, die het kindje dadelijk een nieuwe beloofde. Ze vochten, en plaagden elkaar den heelen avond door, in wreede koelbloedigheid. Alleen Sientje, tusschen het gehuil en getier in, besabbelde rustig haar sappig fopspeentje.
— Dol op 'n lurk.... zei Stijn tegen een klant.
— Kraèg je fèst lést mei.... Neil,.... loater____
— Loater is morrege nie.... stelde Neel zichzelf gerust.
Jansje vlocht bij het naar bed gaan, gekleurd wollen draadjes zich door het haar en strengelde heur kapseltje tot kleine, krom-gewrongen, piekerige vlechtjes. —
— 'n Echte Willemstroater!.... lachte Neel, toen ze het komiek toegetakelde kopje van Jansje, boven haar groezelig nachtjaponnetje zag uitsteken, in het alkoofje. Zoo had zij zich als meisje ook altijd vercierd, toen haar eigen vader nog liep met hoog-zijden pet, een stijf-