398
sau knèp!.... sau knèpl Doar is maèn mèn moar 'n scheur-in-de-broek bei, hèi?.... Nou, dèg Neil, dèg Burk.... dèt die keirel fèn maèn nou niet schaaje wil, hè?.... sau'n braudkorstl
In Stijn wroegde nog iederen dag de angstigheid dat Neel een dood kind ter wereld zou brengen. En of ze hem nou al honderd maal verzekerde dat ze wel leven voor twee voelde, hij kon soms zijn benauwing niet meer onderdompelen in die geruststellende praatjes. Wat had hij toch verschrikkelijk laag en gemeen gedaan.
— As ,t nou sau is.... as.... ès.... stotterde hij bang naar Neel.
— As .... ès .... is verbrènde turf, suffert,____
snauwde ze terug, zelf beangstigd door zijn ontstelde oogen. Maar hij kende Neel. Hij zou geen uur leven meer hebben naast haar. Ze zou hem tot in het gebeente vervloeken. Och,.... zoo een praatslokje, daar gaf ze niets om.... maar dat!....
Daantje kwam op een middag, poelzwart van knikkeren wroetspel, het winkeltje inloopen, op zijn kousen, met zijn klompen en een kletsnatte pet in de hand, die hij straten-lang onder een sproeiwagen had gehouden. Neel joeg hem met dreigstem naar achter____
— Frissche morrege____bin je fèn de Haal-Schaul
weggelaupe?.... allau.... noar Lien.... loSje bèkkes wèsschel____ Lien!....
Daantje trampelde woedend-verwend op den grond, schuwde het koude water.
— Pès op!.... dreigde Lien uit het gangetje.... as je nie wil goü je in 't donkere hok! —
Het belletje trillerde.
Daatje Terwee kwam in, met een groote, blauw-ge-verfde mand.
— Ik hep je 'n heile bestelling te doen____klonk
deftig haar stem.