396
sss .... soèjessssseM____ss!____sss.... hoal-aufer!
nou 't witte rokkeki.... soe .... je.... soe .... je hoal-aufer!.... nou 't broekekie!.... hoal-aufer!.... en Siennetje is 'n soete schèt!....
— Fen sau'n mèskeroade hep ikke nie terug, lachte Neel om Stijns kunstig zoethouden van Sien. Bij Lien, Mien of Jansie griende ze altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een knorretje, was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en droeg hij haar de duffe achterkamer in. Musch-stil hipte Stijn in het alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet meer tegen zich op voelde.
Neeltje had Hannesje kant en klaar beredderd en lachte, hem in den hals kietelend, met luidruchtige oolijkheids-woordjes plezierig toe. Daantje slurpte gejaagd midlerwijl uit het melkblikje, op een toonbankplankje geborgen en Koentje griste met vuile handjes driftig in de rijstbak.
— Sè je 't loate!____ oartsdufel!.... schold Neel
die Daantje net snapte;.... wècht, stréks hei je 'n woafel op je koake.... Lien!.... Lie-en! neim jei Koentje en Doantje bèi je!.... Jènsie! soek jei Siem-pie.... hei knikkert op de Braufersgrècht.... se motte noar kaui! —
Lien schreeuwde, verward de stem tegen straat-gedruisch in, iets terug,.... dat ze poetshanden had....
— Hupse Jènnetje.... hupse .... jènnetje____zong
kniewiegend Neel, terwijl Hannesje dommelijk lachte en kwijlde, waggelend op den schoot van zijn moeder. Maar Neel voelde pijn in de lies, brak plotseling het hups-spelletje af. Lien zong met holle stem uit het lamp-goudig omschemerd keukentje: