393
— Wècht moar moeder .... as ik grauter bin .... dèn neim ikke foader!
Dat dreigen stak nu al in zijn oogen; voelde Stijn als iets beangstigends voor de toekomst. Hij bleef van den middag, na zijn ploeg-zwoeg, tot den laten nacht in het winkeltje helpen, en in den vroegen avond altijd met broos-wangig Sientje bij zich, die alleen door hém naar bed gebracht wilde worden. Ook zijn Daantje, Koentje, Pietje kon hij hartstochtelijk beknuf-felen, maar op de bleék-teere wangetjes van Sientje was hij dol. Ze speelde zoo stilletjes-droef voor haar heen, met een paar inéén-gewerkte koperen ringen. Och! ze was een dot, een engel! Hannesje in zijn stoeltje leek sprekend op haar. —
— Mèg foade.... Siennetie 'n soentje.... opper wankie geif?....
Dat vroeg hij wel vijf maal in een uur. Sientje zat met Koentje op één stoel aangeschoven tegen de koffiela, knus op elkaar, ieder een apart spelletje in het avondwinkeltje te peuteren, op een oude stoof. Sientje lurkte gulzig en soms weer heel zuinig op haar fopspeentje.
De klanten bedolden Stijn om zijn huizigheid.
— De boetfaardige!.... spotte een werkster van het
Wilhelinina-gasthuis..... jèmmer dèt je gein Merie
hiet!____Hèd je ja 'n soet end!
— Hei jei dèn de goudmaane ontdekt?____beet Neel
voor hem terug,.... nou dèn!.... loat saan s'n sinnig-
haèt! As jei feur je aage genog fen 't leife hep____trek
dèn 'n wit loake aufer je traunie en bedènk de weireld!....
Stijn duldde alles, al ״voerden" ze nog zoo beleedi-gend; hij bleef kalm, onopgejaagd en zonder vechtdrift.
De Bul kwam zijn pruimtabak halen met Rolrug, op een Zaterdagmiddag, den laatsten Octoberdag.
— Jei slüyt de moand mauj of Mop!.... scherpte zijn stem hoonend naar Stijn.