392
snuffelende kat hoorde, in het gangetje, holde ze op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met troostend, fijn vlei-stemmetje:
— Stil poesie.... stil moar.... je kindertjes binne siek.... se komme t'rug.... asse beiter binne....
Stijn bleef zonder drank. Zelfs voelde hij zich minder nukkig en hardvochtig gestemd tegen de Gronjee'tjes. Op andere tijden gapte hij allerlei speel-dingetjes van Willem af en gaf ze Siempie of Daantje; verzwaarde hij, in ergerlijke kwasterigheid en chicaneuze tergerij, ieder ding dat Mientje, Willem of Jansje misdeden. Dan was hij soms helsch jaloersch als de Gronjee'tjes iets hadden gekregen en zijn kroost niet Bij gekibbel trok hij, zonder verhoor, zijn kleintjes vóór en strafte soms wreedelijk-onrechtvaardig de anderen. Neel moest er altijd tusschen treden, gaf haar eerste evenveel teederheid als haar tweede stel kinderen. Ze kon dat houwdouwerige wegdringen van Mientje, Jansje en Willem niet verdragen. Maar de laatste weken was Stijn veel toeschietelijker gestemd voor haar Gronjee'tjes. Als hij voor Daantje een buiten-modelsch tolletje sneed uit gekleurd hout, en voor Siempie een zwaai optimmerde, dan trakteerde hij hoestenden Willem op een piraat-cigaretje. En Mientje, die al zoo snibbig en onafhankelijk, als scherp Jordaan-kind, door de omlevende ellende gerijpt in al haar ervaringen, Stijn te woord kon staan, mocht dingen voor hem doen, die anders alleen Pietje of Daantje opknapten. Tegenover Willem voelde hij soms zelfs een soort van schroom. Hoe wild-bedreigend kon die jongen hem aanzien, als hij meende dat er iets onrechtvaardigs gebeurde. Neel had hem zelf verteld, dat hij dien avond van het schoppen op zijn nek was gesprongen en het mannetje had geschreeuwd: