391
lijke onschuld-oogjes er tegenin,.... ik hep 't nie gehaurd?____
— As jei sloap kè je ommers nie haure,.... moedertje, .... se legge allegoar in faène mandjes,.... moar
nie oks! deigelik woar.... moedertje,----asse beiter
binne.... mèg je se weir sien....
Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele schouder-schokjes. —
— Enne poes.... dèn?.... vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren slaap. —
Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw die net inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om steun.
— Niet tènte Truy?____binne de poesies femorrege
nou niet ofgehoald?
Achter Pietje draaiend maakte ze naar buurvrouw een inlichtend grimas....
— Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar ״nou" beklemtonend, zonder te weten waarover het eigenlijk ging.
— In 'n figelènte nie? ....
— Sèul mit raud fleweil!____ pronkte buurvrouw
erbij.
— En binne se niet noar 't kètte-gèsthüys gebrècht?
— Sèlf meigereije!....
Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter het toonbankje staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goud-glans van het gas, dan naar buurvrouw, dka naar moeder op. —
Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies.... waren ziek, lagen in het gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden. En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen van de gejaagd rond-