390
woorden afhappend,.... ond-je____esloag.... enne
toe.... eppie .... baus.... ewörde ....
In ontroerende goedigheid van stem-verzachting, intoneerde hij in de taal van Sientje, keek haar telkens, met zijn zware hoofd over haar bleek-broos kopje heengebogen, in de trieste, stille oogjes. Ook Pietje vergat hij niet. Met wilde verschrikking vroeg zij plots waar de kleine poesjes gebleven waren. Neel had ze laten verdrinken door Lien, die er van griezelde maar het toch deed. Pietje voelde iets angstigs in het snijdend-klagelijk gekerm van de zoekende moeder-poes, overal door het huis, achter kisten, onder kastjes, tus-schen manden en bakken. Ze huilde mee met haar ge-miauw. Daar wist Stijn zich niet uit te redden. Onrustig riep hij naar achter om Neel, die hem nu moest bijstaan. Ook Sientje keek, met opengezakt mondje, naar Stijn en Pientje en leek verstard van verbazing. Haperend vroeg ze .... naar poes ....
— Poet.... poët.... wegg? .... wa po-et? ....
Neeltje schommelde bij en stopte kwijlend Sientje
een fopspeentje het mondje in.
— Bah.... grau.... te .... maad.... lurrekies!..., plaagde Stijn, terwijl hij haar liet dansen op zijn knie, het kopje koesterend tegen zijn boezeroen opdringend.
— Die hep de f'rknuffelings-siekte te pèkke.... spotte Neel, nu hij zoo aanhalig deed met de kinderen. Met triesten groote-menschenblik keken Sientje's ernstige oogen naar vader óp, terwijl ze rustig smakkend haar fopspeen belurkte. Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.
— Werendig moedertje,.... suste Neel,,... de poesies binne femorrege gehoald, faan!.... mit sau'n hauge
figelènte.... se wasse siek____ o! sau siek! liefeling,
en nou.... nou binne se.... in 't kètte-gèsthuys....
— Enne.... enne,.... vroeg blond Pietje met godde