389
tellingen. In procenten-rekening behielp ze zich met eigen-geknutselde ezelsbruggetjes, maar nooit kwamen haar optelsommetjes uit. Tot Stijn haar tusschen de handen keek en lachte om haar zweetend-zich-suf-rekenen op grauwe koffiezakken. Dadelijk had hij het haar helder voorgezet.... Kranig, vond ze, zooals die suffert dat toch kon; zoo een ezels-konijn,.... zoo een slaapbol! Zijn oogen lodderden soms zoo zwaar alsof hij geen zinnen meer had. En begrijpen deed hij
niks.... Maar snel rekenen.....het was een mirakel!
Als hij haar met zijn zuipen niet temteerde, was Stijn toch nog de kwaadste niet.
's Avonds hielp Stijn in het winkeltje. Ze moest haar gemak houden, nu ze haast niet meer voort kon. Als er wat te gluren viel door het patrijs-poortje zou hij het te-mee doen. —
— Je hep je aage niet te f'rstuyfe!.... zei hij plechtig.
Nog nooit, meende Neel, had ze zoo een zware dracht gehad. Het leek wel een drieling. Haar buik klopte en trilde van den morgen tot den avond.
— Allegoar brèndweir-alèrm,.... lachte ze, in schijn onbezorgd. —
Maar Stijn kon ze het zaaikje best toevertrouwen, al was hij voor de menschen soms zoo schuw als een haas. Van de ontvangst vermoffelde hij geen halven cent. Dood-eerlijk was en bleef hij. Onder het stanglicht zat hij iederen avond met bleek-neuzig Sientje op zijn grove, zwaargelapte broek. Pietje hurkte op een bankje aan zijn voeten. Dan probeerde hij, met klein-getrokken tuit-lippen, Sientje en Pietje toe te spreken in kindertaal. Sientje luisterde met open-gedroomde oogen en Pietje snuffelde met haar puntig neusje, vreemde geuren van buiten, aan vaders engelsch-Ieeren broek.
— Toe.... eppie,.... sprak Stijn gerekt en alle