388
bij de teenen losgetornd en gebarsten. Het schoeisel alleen van zoo een bende.....ze stond er als een wanhopende voor. Het rumoerde en dromde weer in haar van wilde gedachten. Dat bleef nooit goed. Ze verlangde toch geen lust-slot en geen tuin met karseboomen? Mijmerend en soms zinneloos van benauwenis, stond ze ochtenden lang voor haar winkel-stoepje en tegen den avond wéér, uit te kijken. Waarheen? Ze wist het zelf niet. Dan weefde een roode herfst-scheemring zich uit over de oude Willemstraat-huizen en lijnde de wipbrug van de Baangracht zich tegen de verlichte lucht af als een grillig-hooge guillotine. Alles beangstigde haar geknauwde zenuwen, de buren, de wipbrug, het vent-geroep, de baklucht, tot ze uit het diepst van haar levende en kloppende buik zuchten loosde, die haar wat opluchtten uit de beklemming. —
Maar het winkeltje bleef traag gaan, heel traag. Het leek soms afgestorven van de buurt, ondanks zijn pralend stanglicht waarin de flesschen met lekkers flonkerden. Een enkelen keer slechts in den middag klingelde het belletje, traag.... alsof het zich verveelde. De klantjes gingen alweer een anderen kant uit; naar winkels die veel grooter geschenken toegaven, dan zij.... Op de boter een stuk kaas;.... op de kaas een stuk spek;.... op het spek kopje en schotel.... Al die geschenken-gulheid goed-gemaakt door de walgelijkste waren-vervalsching; maar daarom gaven de menschen niet. Als ze maar ״bedflveld" werden door blommige kommetjes, koperwerk en fonkelende snuisterijen,.... de maag klapte niet! Tot ze ook aan dit liederlijk bedrog moést gaan meedoen, gedwongen door concurrentie. Was ze maar nooit met het stanglicht begonnen. Hoe haalde ze het er uit?
Als een zwart getintel van springende cijfertjes, peuterde ze kromme sommetjes bijéén; deelinkjes en op-