386
Zoo bekeef hij zichzelf in genadelooze scherpte. Dagen achtereen zwoegde hij, zonder óp te kijken naar de donkere, walmende fabriek met haar zwart-gerookten, ontzaggelijken muur, die hem omsloot als een gevang. Alles gaf hij Neel over, alles; zelfs wat hij bijverdiende. Dat hielp haar wel, want al het steengruis aan centjes van het winkeltje, maakte nog geen keien. Ze had zooveel tekorten. Ze huiverde al voor November, als het sjouw-werk van Stijn zou zijn afgeloopen en hij vaak maanden achtereen geen cent in bracht. Dan werd het een aanspoelsel van wisseltjes en quitanties, die ze moest uit- en afbestellen; een dol-verward gezwendel en gedraai met datums tot het haar zelf begon te duizelen voor de oogen. Want voor de kinderen had ze dit en dat verbruikt, aangeschaft.... Ze bemachtigde niet eens een jasje voor de jongens, voor Willem niet, die toch hoestte als een hond. In de kou zou hij naar school moeten met een kaal buisje en een wollen doek om den hals geknoopt. Moest ze weer naar ״Liefdadigheid naar Vermogen," bedelen en wachten, zij.... met haar ״winkel" en ״mansverdienste?" Zou ze de schapen een bord soep laten opslurpen, 's winters in ״Kindervoeding?" Dan liever in galop met hoef-geklepper de gracht in. Ze had genoeg aan de beleedigingen van het armen-bezoek en de vroegere, hondsche afwijzingen. En toch, pruttelde ze iederen dag, zonder ״molm" deed je niets. Vette paling ruilde je niet voor oud-roest en als je jeu wou likken moest je een tong hebben. In haar zwangerschap, vatbaar voor de snelste wisseling van aandoeningen en gedachten, was ze in haar nerveuze beklemming het eene moment opgewonden, het andere diep bedroefd.
— Ikke slacht Dien wel,.... bromde ze in zichzelf.
—׳ Schofje duufel!.... schreeuwde, ze, benauwend