385
kessen en hun lasterende lintworm-gesprekken, die je honderd maal den kop kon afhakken; telkens groeide er een nieuwe aan. —
Toen 's middags nu Neels eigen moeder, met haar ingedrongen korten nek en gebogen ruggetje, waarover een kaal oranje-schots sjaaltje bochelde, plooi-zwaar oin de kouwelijke en sjofele schoudertjes toe-geknoopt, kwam inslofferen en vragen met ontstelde oogen, barstte Neel los:
— Och, dèt f'rsauste gesoanik..... ikke bin auk
nie fèn wilde ouwers.... jelie moak 'n mins tureluurs, .... jelie laupe de wind daud feur 'n habbekrassie nuufs.... of 'n proatje.... Wècht ikke sèl d'r 'n pèmpieretje an de klink hènge: Tènte Neil.... geniet .... 'n puyke gesonthaat.... ferdere infermoasies bei de bure .... die weite 't nog beiter 1....
Een week al hield Stijn zich, na den vreeselijken avond, goed. Niet één makker kon hem een kroeg binnenlokken. Al zou hij uitmergelen tot een geraamte
van drink-begeeren.....hij zoü zich beheerschen. Als
altijd na de verbijstering, leefde hij in een warmen drang van voornemens, om alles weer goed te maken. Langs inhammen en sluwe overlegjes, moest hij Neel weer zien te naderen. En tóch zonder flikflooierij, want dan kreeg hij dadelijk de bons. Neel had hem kort, maar met afschuw in haar stem te verstaan gegeven, hoe vuil zijn gedrag was om een vrouw met jong leven in haar schoot, te trappen. Stijn voelde zich afbranden in een feilen schaamte-gloed. Wat zou hij antwoorden! Ze had stijf gelijk. Onder het smerigste gajes deden ze zoo iets nóg niet. Heelemaal zinneloos had hij die hak-por uitgedeeld. Hij wist er zich niets van te herinneren. Wat een held, om de bel over te gooien bij een weer-looze vrouw. —
25
De Jordaan