383
Mientje en Jansie waren uit hun broei-bed opgekropen. Er was zoo een kilte in de donkere kamer.
Wat hielp het.....ze moesten toch de kleine broertjes
en zusjes aankleeden en wasschen. —
Eerst hielp Jansje Mientje, knoopte ze haar rokjes dicht en haakte haar vuil-schots jurkje vast. Dan hielp Mientje Jansje aan haar uitgescheurde en aan vier kanten ingespelde trui. —
De lamp was den heelen nacht laag blijven branden; er kon wat gebeuren, had Neel gedacht. Tegen het duister, achter de grauwe gordijnen, wierp het licht oud-roodkoperen gloed op een afgesleten lucifersbakje. Mientje klaagde dat ze de kinderen niet kon helpen.
— Ik sie gein hènt feur auge,.... snibde ze zuur. Lien trok de lancaster op, blies de lamp uit, die hevigen petroleum-stank uitwalmde. Van het grauw-donkere en rommelige plaatsje druilde laat-herfstig morgenlicht het bedompte vertrek in. Er woei buiten een wilde na-jaars-storm. De ruiten rammelden en kraakten in de sponningen. Mientje voelde nu pas hoe lekker het geweest was vannacht, in het bedje van de kleinen. Ze sliep tegenwoordig alleen in den gang-doorloop van
straat naar keukentje. Hu____akelig 's nachts! Alles
pikzwart en je hoorde zulke griezelige geluiden. Den heelen nacht getik en geritsel, onder en boven de bedstee-planken. Ze was zoo gewend aan het met-zijn-vijven-opgepakt bijéénliggen, eikaars adem en uitwasemingen inzuigend, dat ze het ruime alleen-slapen een straf vond. Maar de dokter had het bevolen; zij móest alleen. —
Mientje en Jansie, Lien en Neel, warrelden in de kamer rond en stapten over en langs Stijn, al gewend aan zijn zwaar-snurkend zaag-geluid. Alleen Willem stond al zwaar kuchend, voor het stoepje te zweep-tollen in de straat-donkerte.