377
als vanavond. Alsof ze het ongeluk voorvoeld hadden.
Ze liep even het kamertje door langs de uit-gekruisde armen van Stijn, die harig ontbloot zijn gescheurde roode mouwen uitstaken. Ja, het stak pijnlijk in haar lies. O God! als het nou maar niet op het kind werkte
Die gedachte overviel haar als een angst.... Ze zou
Stijn kunnen opensnijden____ als dat____ dat waar
zou zijn.
— Kom!.... stilde ze zich zelf weer,.... niks zeggen. Die pijn zou wel overgaan. Zijn daad niet erger maken. Hij was wel ereis meer een beetje ״droaierig". Nel schold al zoo afschuwelijk woest op hem. Zij er tegenin;.... dat hij een sul was als hij niet gedronken had; een lobbes; dat hij een goed hart had. Dat die pestdrank „saèn sau es".... een enkelen keer dol maakte. Hij was de „kwoaiste niet". — Ze vergoeilijkte, zacht en zonder wrok.
— Guns Nel,.... 'n mins weit nie waarfeur ie komp
te stoan____ je ken tug de weireld nie folgauje mit
allemoal Frènsies .... as joü fint!
Ze bleef Stijn verdedigen tegen de ophitsende en hevig-krenkende aanvallen van Nel in. Ze voelde diep in zichzelf wel, dat Stijn heel gemeen was geweest; diep gemeen. Maar als de drank in hem gistte wist hij nooit wat hij eigenlijk deed. Hij zou nu op den vloer, als getroffen door een beroerte, roerloos zijn twintig uurtjes uitmaffen, alsof de dood bij hem op wacht stond.
Onder het loopen voelde ze stekende pijn. Mientje hielp in het winkeltje. Jansje kleedde de kinderen uit en bracht ze naar bed. Nel hielp een handje, zag het vertrokken pijn-gezicht van Neel. Ze wou de vroedvrouw gaan waarschuwen.
— Seikerst, dèt mèg je,____zei schertsend-laconiek
Neel.....moar aufer 'n dikke moand. —